Nog steeds laten Nederlanders huis en haard achter, om te werken in een ontwikkelingsland. Want dat is Indonesië, ondanks de glimmende shoppingmalls, brede snelwegen en stijlvolle hotels aan witte stranden.
Een senior beleidsmedewerker en een adjunct directeur van een school voor speciaal onderwijs parkeerden hun huis, baan, familie en vrienden op een zijspoor.
Vervolgens vertrokken ze naar Indonesië om tegen lokaal salaris te werken.
Hij woont in een felgeel hoekhuis, omgeven door planten, waaronder een papayaboom en een pisangboom van circa anderhalve meter. Hij heeft ze snel na zijn aankomst geplant. Frans Sijtsma (55) voelt zich senang (prettig) in zijn betrekkelijk nieuwe thuis in de desa aan de stadsrand van Solo, op Midden Java.
In een vorig leven was Frans beleidsmedewerker op het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag. ‘Ontwikkelingshulp is een
oude droom van me. Nadat ik een maand in een aidshospice in Thailand had
gewerkt, wist ik het zeker. Ik was begin vijftig en had het idee: nu
of nooit.’ Hij meldde zich bij VSO, wat staat voor Voluntairy Service Overseas. Deze internationale organisatie zendt mensen voor twee jaar uit naar ontwikkelingsprojecten. Zij werken, meestal als adviseur, binnen hun eigen vakgebied.
Frans prijst zichzelf gelukkig in Nederland ter wereld te zijn gekomen. ‘Dat is toeval. Ik had net zo goed hier, of in Mozambique kunnen zijn geboren. Dan was mijn leven anders gelopen. Daarom hebben wij in het rijke westen een verantwoordelijkheid voor anderen, die onder minder gunstige
omstandigheden zijn geboren.’ Hij kwam rap door de VSO-selectie en sinds januari 2005 werkt hij voor InterAksi, een organisatie die andere groepen van en voor gehandicapten ondersteunt. ‘Helemaal vanaf de grond af aan opbouwen, samen met strijdbare mensen. Dat maakt het spannend. Vooral ook omdat er in dit land vrijwel niets is op het gebied van gehandicapten.’
De eerste drie maanden bij InterAksi heeft Frans de medewerkers vooral geadviseerd bij het formuleren van een werkplan voor InterAksi. ‘We hebben de afgelopen weken veel gepraat over de visie en missie voor InterAksi. Wat wil je realiseren, waar wil je volgende jaar zijn met je organisatie? Het bedenken van een plan - welke problemen wil je oplossen en wat zijn de prioriteiten - is hier zwak ontwikkeld.’
Hij vindt dat mensen zelf de problemen moeten opknappen. Daarom leert hij
de InterAksi-medewerkers hoe te rapporteren zodat er bijvoorbeeld volgend jaar een jaarverslag kan liggen. Tevens leert hij ze aanvragen op te stellen:
een logische opbouw, het centrale probleem helder stellen, een stappenplan maken,
een tijdspad en begroting opstellen. Een goede aanvraag bevat een
inleiding waarin een heldere uitleg van het werk van InterAksi, wat het
probleem en het plan is, en wat ze van de geadresseerde willen.
Zijn werk draait om goed communiceren en taal is daarbij cruciaal. Ondanks
het feit dat Frans net begint, was het Indonesisch nauwelijks een probleem. Hij kent het land en spreekt de taal goed door zijn vele bezoeken en taalcursussen de afgelopen jaren.
Frans ondersteunt InterAksi bij hun wens een landelijk netwerk op te
zetten. Een landelijke organisatie van gehandicaptenorganisaties voor doven, blinden en lichamelijk gehandicapten.
‘Er is momenteel nog geen coördinatie op landelijk niveau. Ik zou dat
graag helpen opbouwen. Via een netwerk mensen met dezelfde belangen met
elkaar in contact brengen. En laten samenwerken. Daarbij kan ik ze hulp en
ondersteuning geven. Als InterAksi zover komt, dan zouden zij zich
kunnen concentreren op belangenbehartiging.’
Frans is zelfverzekerd over het verkrijgen van fondsen. ‘Vaak zijn fondsen
juist op zoek naar goede projecten. Dus ook daarom is het belangrijk om
goed te zijn en dat duidelijk te communiceren.’
Voor zichzelf ziet hij geen toekomst meer in Nederland. ‘Over twee jaar,
als mijn VSO-contract afloopt, ligt alles weer open. Ik zie mezelf niet
meer werken binnen de geordende structuren in Nederland. Ik voel me daarin
niet meer op mijn gemak. Alles is zo geregeld. Alle spanning ontbreekt. Ondertussen hebben mensen daar nooit genoeg, het moet altijd meer, groter en duurder.’
Het is twee uur rijden van Solo naar Yogyakarta. Zoekend toeren we door de noordelijke buitenwijken van de sultanstad. Gelukkig draaien we al snel de juiste kleine zijstraat in. Nog voordat het busje stilstaat, komt Fred Vrugteveen (55) ons met jeugdige tred tegemoet. Ooit was hij adjunct-directeur bij de Alfonso Corti, een school voor kinderen met spraak/taalproblemen en autisten in Utrecht. Maar sinds 1994 werkt Fred in Indonesië. Eerst op een project in Bandung, daarna op Lombok en nu in Yogya.
De hoge lichte gang doorsnijdt het gebouw. Aan weerzijden van de gang bevinden zich de lokalen en de kantoorruimten. In de ruime vergaderzaal springen de kleurrijke schilderijen gelijk het oog. Drie wanden hangen vol met het werk van de kinderen. Het is direct duidelijk, autistische kinderen zijn sterk visueel ingesteld. In precieze lijnen, in de juiste verhouding en met fantasierijke kleuren. We zien een moskee, de Eifeltoren, het nationale monument Monas in Jakarta en het WTC in New York met rondcirkelende vliegtuigen. Ze zien iets slechts enkele seconden en kunnen het vervolgens vrij secuur verbeelden, in een tekening of schilderij.
Langs de gang bevinden zich tevens vier leslokalen, een computerlokaal, een keuken en ook een goed uitgeruste muziekkamer met een synthesizer en een drumstel.
Een kennis van Fred werkte in Irian Jaya en dat bracht hem op het idee contact te zoeken met VSO. Na de selectieprocedure en een korte voorbereidingstraining, voert Freds eerste contract naar een school voor dove kinderen in Bandung.
Het land is hem niet geheel vreemd. Fred is geboren in Surabaya, een havenstad in het noordoosten van Java. Zijn Indonesische moeder en Hollandse vader verhuisden in 1952 naar Nederland. ‘Surabaya is nog steeds een stad waar ik me op mijn gemak voel, ondanks de drukte en vervuiling.’
Na Lombok, waar hij ook op een dovenschool werkte, verruilt hij zijn werkplek voor een VSO-project in Yogya. In de garage van zijn grote huis begint hij, samen met een andere docent, met lesgeven aan autistische kinderen vanaf 11 jaar. In Indonesië bestaat na de Sekolah Dasar (SD, lagere school) voor autistische kinderen geen enkele vorm van opleiding of opvang.
In 2002 biedt een van de ouders aan om grond te kopen en daarop een gebouw neer te zetten voor de opvang van kinderen met autisme. In augustus dat jaar richten enkele ouders een stichting op, Yayasan Autisma Nusantara. De gelden voor dit project komen uit verschillende hoeken. Zo is de grond en het gebouw gekocht door enkele ouders en is veel materiaal van het centrum gefinancierd door stichting Kinderpostzegels (SKN).
Nu, tweeënhalf jaar later, is de school door de opstartfase heen. Met vijf medewerkers en drie pupillen - Opiq, Diaz en Osi – is het programma en lesmateriaal ontwikkeld. Tevens zijn de docenten ingewerkt. Deze zomer komen drie nieuwe kinderen op de school, genaamd Fredofios, om vaardigheden te leren als koken, schilderen, sjabloneren, recyclingpapier vervaardigen en muziek maken.
Het komt erop aan de kinderen structuur te bieden, vertelt Fred. Met behulp van werklijsten leren de kinderen een serie handelingen - zoals het bereiden van gerechten of vormgeven op de computer - in een vaste volgorde te verrichten. Het plan is om de kinderen, variërend in leeftijd van 11 tot 22 jaar, na een aantal jaren een stage te bieden. Het curriculum is erop gericht de kinderen zo onafhankelijk mogelijk te maken. De centrale visie van de school luidt: focus op hun talenten, dus op hetgeen ze wel kunnen. Deze aanpak lijkt vruchtbaar want de huidige leerlingen maken, in relatief korte tijd, grote vorderingen.
Ondertussen is autisme uitgegroeid tot Freds specialisme. ‘Autisten blijven, wat je ook doet, wereldvreemde kinderen. Ze zijn onberekenbaar in hun gedrag. Het is elke keer, elke dag anders. Juist dat onvoorspelbare vind ik leuk. Dat maakt voor mij elke dag tot een avontuur.’
Voor zichzelf regelt Fred niet zo veel. ‘Ik geniet van elke dag, van het moment. Ik houd van variatie. Ik houd het liefst de toekomst voor mezelf open. Daarom is VSO voor mij een prima organisatie. Een aantal zaken, zoals ziektekosten en visum regelen zij. De school regelt mijn huis. Zodoende kan ik van mijn salaris van 1,3 miljoen rupiah (110 euro) per maand goed rondkomen.’
Over autisme is in Indonesië tot nu toe weinig bekend, hoewel het steeds beter gaat. Ook in Indonesië is internet een belangrijke informatiebron. De situatie in Indonesië is niet te vergelijken met die in Nederland. De Indonesische overheid doet vrijwel niets aan autisme, het komt vooral aan op particulier initiatief.
Volgens de officiële schatting wonen in Yogya - met drie miljoen inwoners - circa 140 autisten. Een veel te lage schatting aangezien 1 op de 150 kinderen wordt geboren met een vorm van autisme. Daarom hamert Fred op het belang van het geven van voorlichting over deze ontwikkelingsstoornis. Ook overdracht van kennis en het delen van informatie met collega-organisaties staat in dit land in de kinderschoenen. Uiteindelijk streeft de stichting Nusantara tot het inrichten van een plaatselijk informatiecentrum voor autisme, inclusief training en documentatiecentrum.
Fred zegt niets te missen uit zijn oude leventje in Utrecht. ‘Nee, ik denk niet aan teruggaan. Ik ben hier gelukkig. Je moet eerst zelf gelukkig zijn, dan pas kan je ook goed functioneren voor je omgeving.’
Tekst: Monique Doppert
Foto’s: Patrick Guitjens
Meer informatie:
www.vso.nl
www.archipel-magazine.com
www.patrickguitjens.nl