Romantiek, Drama en Roddel in het oude Indië
ca.1914
De vele kroonluchters stortten een zee van licht uit over de Pendopo Sitihinggil (Troonzaal. Letterlijk: Ontvangstzaal op Hoge Grond ). Lottie zat met gekruiste benen op een dik Perzisch tapijt, dat speciaal voor haar op de marmeren vloer was uitgelegd. Met kussens in haar rug leunde ze ver achterover tegen een van de met snijwerk versierde en met bladgoud bedekte houten pilaren. Ze was gekleed in een kain panjang ( lange wikkeldoek ), die tot haar oksels reikte en de schouders bloot liet. Op haar voorhoofd en op de slapen waren zeven zwarte punten getekend waardoor het leek alsof de inplanting van het haar diepe inkepingen had. Naast haar zat de bruidegom, Prins Hadikusumo, die zojuist haar echtgenoot was geworden. Zijn kain, die hij tot het middel droeg, had hetzelfde motief als de hare. Op een witte ondergrond was het patroon sido mulyo (edel streven) gebatikt. Het wit diende om het duister van de avond op te helderen. Zijn borst was slechts bedekt met een gouden sieraad in de vorm van een halve maan, die horizontaal aan een ketting om zijn hals hing. Het hoofd was gedekt met een blauwe, doorschijnende kuluk (fez).
Om de zegen over hun huwelijk af te smeken dansten zeven van zijn zusters en nichten een sacrale dans op de tonen van de gamelan muziek. Voor deze gelegenheid werd de verzameling gamelan instrumenten bespeeld,die de naam droeg Kjai Udan Arum ( Heer van de Geurige Regen ). De nasale stemmen van de twee zangeressen vormden een eenheid met de rebab, het tweesnarige strijkinstrument. In gebogen houding serveerden kratonbedienden, geruisloos als schimmen, koekjes, vruchtensappen en voor de Europese gasten een ruime sortering alcoholische dranken.
Met half geloken ogen nam Lottie de aanwezigen op. Zijne Vorstelijke Hoogheid, haar schoonvader zat rechtop op de Dampar Kencono (Gouden Troon ), de borst bijna geheel bedekt met ordetekens, de handen op de wijd gespreide benen. Van het Nederlandse Binnenlandse Bestuur was alleen de resident aanwezig, vergezeld van zijn vrouw. Zij hield haar kaken stijf op elkaar om een geeuw te onderdrukken. Uit de gesprekken thuis wist Lottie hoe de residentsvrouw over hen dacht. Zij had het niet begrepen op die bruine halfbloed Nederlanders en al helemaal niet wanneer zij rijk waren. Zo nu en dan zag Lottie haar tersluiks taxerend kijken naar Mama's juwelen. Mama's gezicht was als een masker. Ze keek strak voor zich uit. Mama had gewonnen maar het was een erg pijnlijke overwinning. En Papa zat daar te zweten in zijn zwart lakens rokkostuum. Lottie kon zijn gedachten raden: Ik wou dat deze poppenkast eindelijk was afgelopen. Voor een Prins, die tot de vier mogelijke troonopvolgers behoorde, was dit een uiterst sober huwelijksfeest. Een huwelijk, dat volgens afspraak na de geboorte van het kind ontbonden zou worden.
Er bestonden in de vorige eeuw op Midden-Java vier kleine vorstendommen met een totale oppervlakte zo groot als die van de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland tezamen. Ze vormden de rudimenten van het Keizerrijk Mataram, dat eens het grootste deel van het eiland Java besloeg met een invloedsfeer, die zich uitstrekte over de kustgebieden van talloze andere eilanden. De vier zogeheten `zelfbesturende' vorsten waren in volgorde van aanzien: de Susuhunan (of Sunan, keizer) van Surakarta, de Sultan (koning) van Yogyakarta,Pangeran (prins) Mangkunegoro en Pangeran Paku Alam. De hoogste Nederlandse-Indische bestuursambtenaren in die gewesten waren de residenten, die min of meer de rol van ambasadeurs vervulden.
Deze vorsten en hun familieleden verhuurden grote delen van het land aan Nederlandse officieren en burgerlijke ambtenaren.
De huurcontracten droegen de landhuurders later over aan hun kinderen, die meestal van gemengd bloed waren. Er waren bijna geen Europese vrouwen, die bereid waren met een zeilschip naar Nederlands Oost-Indië te varen. Dit was de reden, dat de landhuurders relaties aangingen met Javaanse vrouwen. Degenen, die tot welstand waren gekomen, huwden niet zelden met leden van de vorstelijke families. De gemengdbloedige nakomelingen werdenIndo-Europeanen of kortweg Indo's genoemd. Thans gebruikt men de term Indische-Nederlanders.
De plantages van de landhuurders waren vaak betrekkelijk klein.De produkten echter, zoals kofie, thee,tabak en zelfs suiker, waren in die tijd de genotmiddelen van de welgestelden in Europa en brachten veel op. De situatie is min of meer vergelijkbaar met de huidige glastuinbouw in Holland: Een kleine lap grond, die dankzij grote zorg aan het gewas veel oplevert. Maar er is toch een essentieel verschil. De tuinders van nu kunnen gebruik maken van de adviezen van landbouwkundige instituten. Deze bestonden voor de landhuurders toen niet. Al waren ze concurrenten, noodgedwongen wisselden ze ervaringen uit en gaven zodoende aan elkaar adviezen. De families trouwden ook vaak onder elkaar, waardoor een verstrengeling ontstond van familiebanden en zakelijke belangen. Dit ging zo ver, dat men voor elkaar garant stond bij het sluiten van leningen. Aldus kon met een klein eigen kapitaal veel in het bedrijf worden geinvesteerd. Het wederzijds financieel hulpbetoon gold lange tijd als een succesformule. Aan het eind van de negentiende eeuw voltrok zich echter een catastrofe. Een economische recessie viel samen met ziekten van de verschillende gewassen. Het systeem van wederzijdse garanties stortte als een kaartenhuis in elkaar. Men kon de financiële toezeggingen niet meer waar maken. De meeste landhuurders gingen failliet. Het werd een grote "slachting".
De plantages werden overgenomen door kapitaalkrachtige Europese cultuurmaatschappijen. `Cultuur' heeft hier de betekenis van het cultiveren of het verbouwen van tropische gewassen.
Desondanks kwamen vele landhuurders er nog niet zo slecht van af. Ze kwamen als tuin-employé in dienst van deze maatschappijen. Ze hadden veel kennis van de gewassen en wisten hoe met het werkvolk om te gaan. Ze werden daarvoor goed betaald.
Enkele van de zeer rijke landhuurdersfamilies hadden de catastrofe zakelijk overleefd. Tot deze behoorde Lotties familie. Haar vader was het hoofd van de `clan'. Het drama speelde zich af vijfentwintig jaar na de grote `slachting'.
De maaltijd was voor een suikeronderneming een periode van uitzondelijk grote bedrijvigheid. Extra koelies (inlandse arbeiders) werden aangenomen om het suikerriet te snijden en op de lorries te laden. De lorries, open goederenwagons, werden voortgetrokken door sissende en blazende stoomlocomotiefjes, die het riet naar de fabriek transporteerden. Daar werd het riet vermalen en het sap gescheiden van de vezels, de zogeheten ampas. Vervolgens werd het sap ingedikt. Na een aantal bewerkingen werden glinsterende suikerkristallen uit het sap gewonnen.
De tot blokken samengeperste ampas diende als brandstof voor de fabriek en de locomotiefjes. Kennelijk stond het malen van het riet in de fabriek zo centraal in de belangstelling, dat men van maaltijd in plaats van oogsttijd sprak. Het was voor de Europese employe s `acht-uur-op, acht-uur-af'. Dat wil zeggen, men werkte gemiddeld twaalf uur per dag. Deze regeling gold zelfs ook voor de boekhouders en klerken. Zij moesten de vele dagloners uitbetalen. De administratie was zeer tijdrovend, want alles werd met de hand geschreven.
Teneinde de zegen over het werk in de maaltijd af te smeken moest voor het vaste werkvolk vooraf een grote selametan (rituele maaltijd) worden gehouden. De Europese employé s maakten er een geweldig feest van. Lotties ouders nodigden ook familieleden uit, die niet op de onderneming werkten. De belangrijkste onder hen was Sinuhun ( Zijne Hoogheid ) met zijn oudere zonen en dochters. Het was een feest waar zij het hele jaar naar uitkeken. De prinsessen konden dan fijn ontsnappen aan hun verzorgsters, die hen letterlijk alles uit handen namen. Lekker zelf eten opscheppen en stiekem proeven van de wijn. Zulke 'stoute' dingen waren voor hen al een avontuur. En van hun Indo neven en nichten leerden ze onder veel gegiechel vruchten pellen, zoals dukus en rambutans ( tropische vruchten ).
Maar Europees dansen mochten ze tot hun grote spijt onder geen beding. Dit in tegenstelling tot hun broers. De prinsen moesten zelfs de Foxtrot, de Engelse en de Weense wals leren. Als toekomstige bestuursambtenaren was het noodzakelijk, dat zij de Europese gebruiken en vormen van vermaak kenden. Voor hun danslessen in de kraton ( ommuurd stadsdeel, waarbinnen zich het paleis bevindt ) werden Indo meisjes van goeden huize uitgenodigd om als partner te fungeren. Alleen bij de Weense wals werden ze door hun kain belemmerd in het maken van grote passen.
Prins Hadikusumo deed het uitstekend; Europees dansen met Javaanse gratie. Geen wonder, dat Lottie verliefd op hem werd. Evenmin een wonder, dat Hadi zich sterk tot haar aangetrokken voelde. Zij was een nichtje, dat vertrouwd was met de Javaanse gewoonten aan het hof, maar dat zich veel vrijer en onafhankelijker gedroeg dan de jonge vrouwen in de verschillende kratons.
Een verbintenis tussen hen was echter uitgesloten. Hadi behoorde tot de vier prinsen uit wie een keuze gemaakt zou worden om hun vader op te volgen. In feite werd de keuze hoofdzakelijk bepaald door het Nederlands Indische Gouvernement. En Hadi met zijn charme en intelligentie maakte een goede kans. Hij zou wel een echte prinses als eeste vrouw moeten hebben.
Tussen Lottie en Hadi bloeide een verboden liefde op. Gezien hun positie en grote bekendheid in de regio was het niet makkelijk elkaar heimelijk te ontmoeten. Maar verliefde mensen zijn vindingrijk en roekeloos.
Lottie raakte zwanger. Grote paniek in beide families. Hadi werd onmiddellijk op de boot naar Holland gezet om daar te 'studeren'. Voor de arme Lottie moest een man gevonden worden, die bereid was haar te trouwen. Weliswaar moest de toekomstige echtgenoot aan een aantal specifieke voorwaarden voldoen, maar voor geld is menig man te koop. Zeker als het heel veel is. Helaas bleek het aantal mannen, dat aan de gestelde voorwaarden voldeed uiterst beperkt. Toch werd er al gauw een gevonden. Guus, een achterneef, voldeed aan de vereiste profielschets. Bovendien was hij ook voor Lottie aanvaardbaar.
Zij had met Guus op school gezeten en hij was inmiddels uitgegroeid tot een erg knappe jonge man. Zijn vader was een landhuurder, die rond 1890 failliet was gegaan. Van moederskant was hij verwant aan de vorstelijke familie. Welliswaar was zijn moeder alleen maar een afstammeling van een vorige vorst en een selir (bijvrouw), maar zodoende was hij toch familie. Het was ook bekend, dat Guus iemand was, die maatschappelijk vooruit wilde komen. Door avondstudie had hij een paar boekhouddiploma's gehaald waardoor hij een redelijk betaalde betrekking kon vervullen. Hij leek in alle opzichten te voldoen aan de gestelde voorwaarde: Representatief uiterlijk. Intelligent. Verwant zowel aan Lottie als aan Hadikusumo, zodat het schandaal binnen de familie geregeld en toegedekt kon worden. Ambitieus en verarmd. Dus met carrière en geld als lokaas zou hij wel toehappen. Er was slechts een minpunt. Guus had een motorfiets. Hij daverde ermee door de stad. Elke keer met een ander meisje achterop. Hopelijk zou hij met een gezin, een verantwoordelijke baan en daarmee gepaard gaande status, zijn wilde haren spoedig kwijt raken.
Guus had wel vaker in het grote landhuis op de onderneming gelogeerd. Alleen dit keer kwam de uitnodiging niet van Lotties broers, maar van hun moeder, tante Ella. Hij werd afgehaald met een 'Spijker'. Een auto van Nederlands fabrikaat, die niet onder deed voor een Rolls Royce. Guus koesterde geen argwaan. Goudeerlijke mensen zijn vaak naiëf. De ontvangst was overdadig hartelijk. Na het avondeten nam tante Ella hem even apart. 'Tante en Oom willen met je praten. Laten we maar in het kantoor van Oom gaan zitten. Daar worden we niet gestoord.'
'Ik krijg een baan aangeboden...Maar waarom moet tante Ella
...Misschien een vertrouwensfunctie...Of...', ging het door zijn hoofd.
'Vertel jij het maar El', zei oom Loe toen ze in het kantoor hadden plaatsgenomen. 'Weet je Guus, heel vroeger, wel tachtig jaar geleden, heeft je grootvader onze familie geholpen. Wij waren toen eigenlijk failliet. Onze familie moest de landhuurcontracten en plantages bij opbod publiekelijk verkopen. Vrienden, waaronder vooral je opa, hebben toen alles voor een appel en een ei opgekocht. Vervolgens hebben ze alle bezittingen aan ons teruggegeven. Wij zijn het niet vergeten en er nog steeds dankbaar voor. En nu Guus vragen wij jou om hulp. Je zult wel denken. "U bent zo rijk en ik heb zowat niets. Hoe kan ik U nou helpen." Wij kunnen voor jouw hulp ook veel terugdoen. Eigenlijk gaat het om het volgende. Ik weet, dat Lottie en jij elkaar graag mogen. Ik heb jullie nog even samen zien dansen op het laatste maalfeest.' Tante Ella pauzeerde even voordat bij haar het hoge woord er uit kwam. 'Weet je er is iets ergs met Lottie gebeurd.....Ze is in verwachting geraakt.'
Guus kreeg het verschrikkelijk benauwd. Hij voelde zijn hart bonken. In de hartelijke tante Ella en de goedmoedige oom Loe zag hij plotseling twee figuren, die hem konden maken en waarschijnlijk ook breken. Het liefst was hij hard weggelopen en op zijn motorfiets weggedaverd. Maar die motorfiets was thuis. Guus voelde druppels zweet uit zijn oksels lopen. Eindelijk durfde hij te stotteren 'V-v-van wie ?' `Van Hadi. Je kent hem toch wel ?'
Nou en of hij Hadi kende. Met de twee broers Hadi en Kus had hij menigmaal kattekwaad uitgehaald, waarvoor hij zich achteraf schaamde. Zo hadden ze een keer op Oudjaar in een andong (een koets) door de stad gereden. Aan het fraaie rijtuig en de kittigeSumbawa paarden kon een ieder zien, dat ze uit de stallen van de kraton afkomstig moesten zijn. De jongens hadden rotjes bij zich, zo groot als een spaans pepertje, tjabe rawits werden ze daarom genoemd. Ze waren betrekkelijk ongevaarlijk maar gaven wel een scherpe knal. De rotjes staken ze aan met een tali api (vuurtouw, lont) en gooiden ze in de menigte. In plaats dat ze werden uitgescholden of op zijn minst bittere verwijten te horen kregen, gingen de mensen op hun hurken zitten en maakten een sembah (eerbiedige groet ). Ongelooflijk en onbegrijpelijk. Dat hadden ze niet verwacht. Ze schaterden het uit en hadden dolle pret.
`Hadi kan niet met haar trouwen. Je weet, dat hij een van de mogelijke troonopvolgers is. Hij is verplicht een prinses als hoofdvrouw te nemen. Wij kunnen het niet toestaan en jij kan het toch ook niet over je hart verkrijgen, dat Lottie een gewone selir wordt. Weet je waarom we aan jou gedacht hebben Guus? Jij bent niet alleen verwant aan ons, maar ook aan de vorstelijke familie. Het kind, dat Lottie krijgt, is immers ook van jouw bloed.'
De angst van Guus maakte plaats voor boosheid. Zijn gezicht verried geen spoor van de emotionele omslag. Oom Loe nam het nu van tante Ella over.
`Het is eerlijk gezegd niet alleen de verwantschap, waarom we aan jou gedacht hebben. Ik weet, dat je intelligent bent en bereid hard te werken. Je zult voor onze ondernemingen echt een aanwinst zijn. En als je van mening bent dat je een offer moet brengen, dan zullen we dat ruimschoots compenseren.' `Lottie is best een aardig meisje..... maar ik laat me godverdomme niet omkopen om een drachtige merrie te trouwen,' dacht Guus, maar hij zei iets anders. `Ik mag Lottie erg graag, maar ik zou toch niet met haar willen trouwen. Ook al verwachtte zij geen kind. Het huwelijk heeft voor mij een bijzondere betekenis. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Lottie vind ik heus erg aardig, maar nee....ik kan het niet. Echt niet.'
`Je hoeft nog geen besluit te nemen. Blijf een paar dagen bij ons en neem de tijd er rustig over na te denken,' stelde tante Ella voor.
De volgende ochtend merkte Guus, dat hij gevangen zat. De deuren van het logeerpaviljoen waren vergrendeld. Nu had Guus met veel misbaar zich vrij kunnen vechten, maar dan zou hij zijn eigen ruiten inslaan. Iedereen zou zeggen, dat hij plotseling gila ( gek ) geworden was. Ook de bedienden waren er dan getuige van, dat hij een aanval van krankzinnigheid had gekregen. Tante Ella kwam bij hem ontbijten. `Je bent geen gevangene hoor, maar onze gast. Daarom kom ik gezellig bij je eten. Ik wil alleen hebben, dat je er rustig over nadenkt....Je moet niet zulke gevaarlijke dingen doen. Rijden op een motorfiets, straks krijg je nog een ongeluk.... Wil je niet liever een auto hebben? Een Hispano Suiza bijvoorbeeld; dat vind ik zo een mooie wagen...'
Ze kwam ook het middagmaal en het avondeten bij hem gebruiken.
`Je hoeft niet op een van onze ondernemingen te werken. Als je wilt kan je ergens anders ook een baan aannemen. Wij hebben veel connecties.' Haar glimlach verdween en haar ogen keken hem strak aan. `We hebben in heel Indië onze vrienden en connecties. Dat weet je toch wel? Daar zullen we gebruik van maken als het nodig is....,op welke wijze dan ook.'
Guus begreep het in fluweel verpakte dreigement maar al te goed. Op welke wijze dan ook betekende: ten behoeve van hem of tegen hem. Zouden deze tante en oom hem werkelijk in zijn loopbaan kunnen dwarsbomen? Hij dacht er niet lang over na en bleef bij zijn weigering.
Gelukkig werd Guus niet erg professioneel bewaakt. Tante Ella en oom Loe waren immers geen misdadigers, al hadden ze in hun wanhoop een stapje over de grens van fatsoen en criminaliteit gezet. Het regende die nacht aanhoudend.Guus kroop met zijn koffertje door het raam. De jaga's (wakers) van het landhuis hadden beschutting gezocht in een van de open galerijen. De tuan muda (jonge meneer) liep toch niet weg. Daarvan waren ze zeker. Het zou beneden zijn waardigheid zijn om door het raam te kruipen en dan in de stromende regen te lopen. De honden Moortje en Mikkie lieten het bij een enkele 'waf', want ze kenden Guus immers. Eenmaal op de weg gekomen liftte hij met een grobag (ossekar) naar de stad. Diezelfde dag nog nam Guus ontslag wegens 'familie omstandigheden'. Hij vertrok naar Semarang, waar hij vrij spoedig een nieuwe betrekking vond.
Om vier uur's ochtends werd tante Ella gewekt door een van de keukenmeiden. Tante Ella was woedend. Ze riep alle twintig bedienden bij elkaar, schold hen de huid vol en ontsloeg de twee jaga's op staande voet. Nadat ze haar boosheid had afgereageerd sloeg de paniek toe. Aan de eettafel vond ze oom Loe, die zich tijdens de woede aanval van zijn vrouw op de achtergrond had gehouden. 'Jij gaat vandaag nog op audientie bij Sinuhun. Wat denkt hij wel. Dat zijn zoon zomaar een kind bij onze dochter kan verwekken. En dan haar in de steek laten alsof het een meid uit de desa ( dorp ) is.' Tante Ella was niet erg consequent. Ze had zich er niet tegen verzet, dat Hadi voor 'studie' naar Holland vertrok. In haar arrogantie was ze er absoluut zeker van, dat Guus bereid was Lottie te trouwen. 'Ik eis,' ze klopte met haar knokkels op de tafel, 'Ik eis, dat Hadi onmiddellijk uit Holland terugkomt en alsnog met Lottie trouwt. En als Sinuhun weigert, als hij het lef heeft te weigeren...dan, dan versmelt ik alle juwelen, die hij ons als onderpand voor zijn leningen heeft gegeven. Pusaka ( erfstuk ) of geen pusaka, endah verdulie (het kan me niets verd...).'
'Maar Ella, dat kun je niet...'
'Ik geef ze wel terug hoor, gewoon als een klomp goud.'
Sinuhun ging door de knieen toen oom Loe op diplomatieke wijze dreigde de geldleningen stop te zetten.
Van het Gouvernement kreeg de vorst een jaargeld van ongeveer een miljoen gulden ter compensatie van de door de Nederlanders geannexeerde gebieden. Bovendien ontving hij nog een fors bedrag aan landhuur. Desondanks leed hij aan een chronisch geldgebrek. Dit kwam voornamelijk door het enorme aantal familieleden, dat hij verplicht was te onderhouden. Bij Lotties vader kon hij tegen een vriendenrente met de grootst mogelijke discretie geld lenen. Dat wil zeggen, het Gouvernement bleef er geheel onkundig van en stelde hem niet onder curatele, zoals eerder bij zijn voorgangers was gebeurd.Van het Gouvernement kreeg de vorst een jaargeld van ongeveer een miljoen gulden ter compensatie van de door de Nederlanders geannexeerde gebieden. Bovendien ontving hij nog een fors bedrag aan landhuur. Desondanks leed hij aan een chronisch geldgebrek. Dit kwam voornamelijk door het enorme aantal familieleden, dat hij verplicht was te onderhouden. Bij Lotties vader kon hij tegen een vriendenrente met de grootst mogelijke discretie geld lenen. Dat wil zeggen, het Gouvernement bleef er geheel onkundig van en stelde hem niet onder curatele, zoals eerder bij zijn voorgangers was gebeurd.
Van het Gouvernement kreeg de vorst een jaargeld van ongeveer een miljoen gulden ter compensatie van de door de Nederlanders geannexeerde gebieden. Bovendien ontving hij nog een fors bedrag aan landhuur. Desondanks leed hij aan een chronisch geldgebrek. Dit kwam voornamelijk door het enorme aantal familieleden, dat hij verplicht was te onderhouden. Bij Lotties vader kon hij tegen een vriendenrente met de grootst mogelijke discretie geld lenen. Dat wil zeggen, het Gouvernement bleef er geheel onkundig van en stelde hem niet onder curatele, zoals eerder bij zijn voorgangers was gebeurd.
Hadi werd teruggeroepen zonder een collegezaal gezien te hebben. Hij kwam net op tijd om Lottie te huwen, voordat het kind werd geboren. Ze kregen een dochter. Niet lang na de geboorte werd de scheiding uitgesproken, zoals beide families waren overeengekomen. Het meisje werd niet door Lottie, die eigenlijk Charlote heette, maar in de kraton grootgebracht. Zij zou later de vrouw worden van een hoge Javaanse bestuursambtenaar. Lottie hertrouwde enkele jaren na de scheiding met een Indo.
1937
Tante Charlotte en oom Wim behoorden tot de intieme vriendenkring van mijn ouders. Op de een of andere manier was tante Charlotte aan ons geparenteerd. Ik herinner me haar als een deftige dame met een wat lage stem. Haar reeds grijzend haar was zwart geverfd. Boven de grote ogen waren haar wenkbrauwen tot potloodstrepen geëpileerd, zoals de mode het toen voorschreef. Als ze met mijn ouders naar de jaarlijkse paardenraces ging, had ze kanten handschoenen aan en droeg ze een hoed voorzien van een voile met nopjes. Ze werd door iedereen een beetje saai gevonden. Daar was zij zich ook van bewust. Onverwachts bezoek verwelkomde zij met 'Kom binnen, maar Wim is niet thuis hoor.' Het was ook geen wonder, dat de mensen voornamelijk voor oom Wim kwamen. Hij was een levendige man, zat vol grappen en kon op geestige wijze allerlei situaties navertellen. Niet zelden kruidde hij het verhaal met een scheutje erotiek.
Tante Anneke was een goede kennis van ons. Klein en voorzien van een flinke dosis overgewicht. Oom Wim was er getuige van hoe een op hol geslagen paard met een andong achter zich aan langs het trottoir scheerde, rakelings langs tante Anneke. Van schrik viel ze met een plof op haar achterwerk. Niet lang na dit voorval waren ze bij ons op bezoek: tante Charlotte, oom Wim en tante Anneke met haar man. Op plastische wijze vertelde oom Wim over de confrontatie van tante Anneke met het hollend paard. 'En weet je hoe ik Anneke bliksemsnel overeind heb gekregen? Ik fluisterde haar in het oor: Zeg Anneke, heb je wel een broek aan?'
'O, Wim, onbeschoft ben jij. Werkelijk onbeschoft,' kirde tant Anneke preuts. Blij, dat ze het onderwep van sensuele belangstelling mocht zijn.
Met al zijn grappen had oom Wim toch een zeker religieus besef. Op Zondagochtend bleef tante Charlotte altijd thuis, mijn vader en broers brachten de tijd door op de tennisbaan en mijn moeder ging met oom Wim in zijn bordeaux rode auto naar de kerk. Daar werd natuurlijk over gepraat. 'Laat ze maar lekker roddelen,' placht mijn moeder te zeggen. 'Zolang er over je wordt gepraat, tel je nog mee.

Het verhaal is in grote lijnen waar gebeurd. Uit respect voor de nagedachtenis van de personen zijn de namen gefingeerd. Ook de namen van de pendopo en de gamelan zijn veranderd.
Bronnen:
Houben, V. Sporen van een Indisch verleden. (onder redactie W. Willems). Leiden, 1992
Larson, G.D. Prelude to Revolution. Dordrecht, 1987
Eerder verschenen in :
Kwartaalblad Tjabe Rawit. Nummer 3, jaargang 3, 1995.
De Gordel van Smaragd. Nummer 2, jaargang 24, april 2004.
> Terug naar overzicht Louis Doppert |