31(0) 647412213
Monique Doppert
ouis Doppert
   
l'Aiglon
Juli 2004

Oktober 1945. Japan had twee maanden eerder gecapituleerd. De Tweede Wereldoorlog was beëindigd. Daarop aansluitend werd de Republiek Indonesië uitgeroepen, die zich verzette tegen de terugkeer van het Nederlandse koloniale bewind.

De atmosfeer was bijna verzadigd van vocht zonder dat er een spatje regen was gevallen. Bij de kazernepoort stond in de smorende hitte van de kentering een lange rij vrouwen te wachten. Ze hadden allerlei soorten bagage en pakketten bij zich; zoals koffers, bèsèks ( doos van gevlochten bamboe ) en kussenslopen die als plunjezak dienst deden. De militairen van de TRI (Tentara Republik Indonesia, Leger van de Republiek Indonesië) zouden zorg dragen voor de verzending naar de verschillende gevangenkampen. Een week eerder waren alle mannen en oudere jongens van Europese afkomst 's nachts van hun bed gelicht en geïnterneerd.
Achteraan in de rij stond Ineke. Op de grond aan haar voeten lagen een rugzak en een bèsèk. In de rugzak zaten kleren en de bèsèk bevatte etenswaren, die lang houdbaar zijn: dèndèng (gedroogd en gebakken gekruid vlees), abon gekookt, gesnipperd, vervolgens gekruid en droogebakken vlees), gezouten eendeneieren en schijven palmsuiker.
Door een speelse mengeling van Duitse, Joodse, Franse en Javaanse genen had Ineke een min of meer Hindoestaans uiterlijk gekregen. Een bruine huid en Europese gelaatstrekken met een smalle rechte neus. Haar korte zwarte haar verborg zich goeddeels onder een strooien hoed. Om de bol was een lang blauw lint gehecht, die tot ver over de brede rand hing en met iedere beweging van het hoofd over haar rug dartelde. Zij droeg een fraai geborduurde jurk van kain blatjoe, grof ongebleekt katoen. Mams had een paar van deze jurken van beddelakenstof voor haar gemaakt. Zelf had Ineke elk voorzien van verschillend borduurwerk. 'We hebben het nu niet breed meer, maar ze zullen het niet aan ons merken', was de stilzwijgende gedachte.

Het laatste jaar van de Japanse bezetting was niet alleen moeilijk door de steeds nijpender wordende financiële omstandigheden. Het gebeurde eens dat Chris,een jongere broer van Ineke, toevallig een tien meter achter haar aan fietste. Plotseling werd vanaf het trottoir gescholden "Lonté Londò,lonté Londò ......( Hollandse hoer ). Ze riepen haar ook nog vieze woorden na. In één oogopslag overzag Chris de situatie. Tegen vijf volwassen kerels kon hij niet op. Bij een vechtpartij zou hij zeker het onderspit delven.
'Je-je-je moet maar niet meer door de stad fietsen! D-d-dat kan echt niet,' stotterde Chris bij thuiskomst. Na een paar keer diep ademhalen vervolgde hij kalm: `Word je wel vaker uitgescholden?' 'O ja hoor. Het geeft niet. Kan me niets schelen. Ik versta toch niet wat die vuile Inlanders me toeroepen', antwoordde Ineke quasi laconiek. 'Niks aan Mams vertellen, hoor. Ze maakt zich altijd zorgen.' Inderdaad begreep ze de Javaanse schuttingwoorden niet. Wel wist ze wat lonté Londò betekende. Nu had Ineke twee Javaanse grootmoeders. De één was Christen.
Elke zondag ging ze in een zwart zijden jurk naar de Protestantse kerk. En iedere donderdagavond verzorgde zij haar poesaka krissen ( erfstukken, in dit geval dolken ). Een mannelijke en een kleinere vrouwelijke kris. Ze werden dan enige tijd boven een anglo (klein houtskoolfornuis) met smeulende wierook gehouden. De andere grootmoeder kwam uit de kraton (ommuurd deel van de stad, waarbinnen zich het paleis bevindt) van Solo. In de denkwereld van Ineke waren haar grootmoeders geen echte Inlanders en al helemaal geen vuile Inlanders. Dat waren gewoon Oma Naomi en Mah.


De vrouwen, die in de broeierige warmte van de middag stonden te wachten kenden elkaar bijna allemaal. Op zijn minst wist men wie wie was. De Indo-gemeenschap was maar klein. De rij schoot niet erg op. Wachten, barang (bagage) opnemen en een halve meter verplaatsen, wachten .... Kennelijk werden de pakketten zonder veel haast aan een grondig onderzoek onderworpen. Nu en dan veegde Ineke met een zakdoek de minuscule zweetdruppeltjes af die op haar neus parelden.
Uit de kazerne kwam een militair aanlopen. Aan zijn koppelriem hing een klewang (sabel). Een bivakmuts stond schuin op het zwart krullend haar. Zijn gezicht was fijn en regelmatig. Verder droeg hij een blauw wollen cape, die hij aan de rechterzijde over de schouder had gedrapeerd. 'Waarom draagt hij een cape in deze hitte?' vroeg Ineke zich af. 'Misschien heeft hij koorts,malaria of zo. Nee, hij heeft vast een zonnesteek opgelopen en is gek geworden....O mijn God het is Brm. Het is echt Brm. Als hij me maar niet herkent.' Ze trok de rand van haar hoed voor het gezicht.

Fred ,een oudere broer van Ineke,had voor de oorlog zijn slaapkamer in het paviljoen. Het aangebouwde overdekte terrasje bood juist genoeg ruimte voor een schrijfbureau en een gammel rotan zitje. Daar ontving Fred zijn vrienden van de AMS (Algmene Middelbare School,vervolg op Meer Uitgebreid Lager Onderwijs).
'Van werken is zeker niet veel terecht gekomen,' zei Mams een keer. 'Ik heb je tot in de voorgalerij horen lachen. Was Soenarjo er weer om zogenaamd huiswerk te maken. Presteert hij wel wat?' 'Nou Brm is erg goed in wiskunde....en ook in sabelschermen,' verdedigde Fred zijn klasgenoot. 'Maar hij heeft van die fantastische verhalen. Ik lach me altijd rot om hem.'
'Berem.Wat een rare bijnaam. Waarom noemen jullie hem naar een koekje ,berem (koekje van gistmeel en suiker).'
'Hij is een BRM, Bendoro Raden Mas adellijke titel). Daarom Brm.'
'Is hij een neef van de Sunan of van de Sultan?' (Sunan-vorst [keizer], Sultan-vorst [koning] ).
'Dat weet ik niet. Daar heb ik nooit naar gevraagd.'


Soenarjo liep langzaam langs de rij wachtende vrouwen. Soms bleef hij even staan en wisselde enkele woorden met één van hen. Hij kende er een paar waarmee hij vroeger op de MULO en de AMS had gezeten. Eindelijk bij Ineke aangekomen keek hij onder de rand van haar hoed. 'Héé, je bent toch Ineke, het zusje van Fred. Je kent me toch wel?'
'Ja....Brm,' antwoordde ze stroef.
'Heb je al bericht van Fred?'
'Ja we kregen een brief van hem.Via het Rode Kruis.'
'Waar was hij krijgsgevangen?'
'In Batavia.'
'Waar zit hij nu?'
'In Bandoeng.'
'Wat doet hij daar?'
'Fred is van plan zich aan te melden voor een officiers opleiding."'
'Nou, dan kan hij beter aan onze kant staan. Ik ben al majoor.' Met gevoel voor theater liet Brm zijn linkerhand op het gevest van de klewang rusten, plaatste de rechterhand in de zij, stak zijn kin vooruit. 'Kijk maar, l'Aiglon.' (zoon van Napoleon ).
Ineke klemde haar kaken op elkaar, perste haar lippen samen om niet in een spottende schaterlach uit te barsten. 'Wat denkt hij wel, het adelaarsjong. Hij lijkt meer op een mussenjong.'

Soenarjo had zijn militaire opleiding gekregen van de Japanners, voor wie hij overigens weinig sympathie koesterde. Het nog maar net geformeerde Indonesische leger had een schrijnend gebrek aan kader, waardoor hij vrijwel direct de rang van majoor kreeg .

'Voor wie is dat?' Brm knikte met het hoofd in de richting van de bèsèk en de rugzak op de grond. In feite een overbodige vraag,want hij wist het antwoord. Hij behoorde tot de officieren, die de opdracht hadden gekregen om leiding te geven aan de nachtelijke arrestaties. Alles was correct en humaan verlopen, de omstandigheden in aanmerking genomen.
'Voor Chris.' Het gelukte haar de onderdrukte schaterlach om te zetten in iets wat op een vriendelijke glimlach leek.
'O,Chrisje. Die kleine jongen. Ik herinner me hem nog goed. Ik kwam toch vaak bij jullie. Hoe oud is hij nu?'
Ineke boog de rand van haar hoed omhoog. Haar glimlach werd echt. 'Zestien. Hij is nu al groter dan ik.' 'O ja,al zo groot. Weet je nog, op het platje (terrasje) bij Fred. Je brengt ons toen thee met kue semprong (gerolde krokante wafel) of kue lapis (pudding in rood-witte laagjes). Heel leuke tijd, vroeger. Vind je niet?' (*1)
Ineke beaamde het met een knik. Heel even, als een bliksemschicht, maakte ze oogcontact met hem. Wat een lieve, knappe jongen eigenlijk. Jammer, dat hij een Inlander is. Maar dat is toch eigenlijk niet zo erg. 'Wat lijk je op je moeder.' Met duim en wijsvinger maakte Brm zijn rechteroog groter, trok er een raar gezicht bij. 'Van die ronde ogen.'
'Ha-ha-ha, Brm je bent een echte hi-hi-hi grappenmaker en toneelspeler.' Meteen had Ineke in de gaten dat het een komisch verhuld compliment betrof. Grote ronde ogen als de hare behoren in de kratons van Solo en Djokja tot het schoonheidsideaal, had Mah haar al zo vaak verteld.
'Eigenlijk veel te warm deze.' Brm knoopte zijn cape los.
'Hier, voor Chrisje. Straks voor in de regentijd. Hij heeft een extra deken.'
'Nee, Brm. Dat kan ik toch niet aannemen.'
'Jawel, kan wel. Ik moet even kijken daar, bij de controle van de pakketten. Duurt veel te lang. Ik zie je nog wel.'
Brm draaide zich om en beende weg.
Ineke staarde hem na. De cape hield ze in haar handen.... 'Te erg, ik heb hem niet eens bedankt. Straks niet vergeten.'
* 1. Wanneer Indonesiërs Nederlands spreken hebben ze wel eens moeite met de 'verleden tijd' , omdat deze in hun taal niet bestaat. Niet-essentiële zinsdelen laten ze vaak weg, wat verband houdt met hun totaal andere grammatica.



Eerder verschenen in: Meanderen (Verhalen en gedichten van diverse auteurs) Uitgeverij Kontrast- Oosterbeek, 1998

> Terug naar overzicht Louis Doppert