| |
Eigen weg
Een “eigen weg ” verbindt de straat Ngoepassan met het hofje, dat uit drie huizen bestaat. In twee ervan woont de Familie. Wij zijn verhuisd naar dit verscholen hoekje van de stad. De Familie heeft zich in de loop van de oorlogsjaren uitgebreid en bestaat nu uit mijn grootmoeder, vier tantes , twee nichten, Mams, mijn zuster en ik. Het hofje en enkele aangrenzende huizen zijn eigendom van Oma en oom Frans.
Inmiddels vier ik al drie jaar lang vakantie; kinderen van Nederlandse afkomst mogen van de Japanse autoriteiten geen onderwijs genieten. Een jeugdvriendin van Tante Wies geeft me clandestien wiskundelessen. Zo fiets ik twee keer per week naar haar toe met het huiswerk verstopt tussen hemd en zwetend lijf en de berichten van Radio Sydney verborgen in mijn geheugen.
De kennis van andere vakken rust in een houten kist met de leerboeken van mijn oudere
broers. In een van die boeken staat: De kleur zwart absobeert de zonnestralen en wit daarentegen weerkaatst het licht. Capri, de zwart-wit gevlekte fox-terriër, lijkt een uitermate geschikt object voor een toetsing van deze theorie. Bovendien heeft mijn neef zijn hond geleerd “ dood te liggen “.
Als proefdier leg ik Capri om twaalf uur ‘s middags in de brandende zon en ga zelf in de schaduw van een manggaboom zitten. Na een half uur moet het experiment worden afgebroken: etenstijd. Toch is het resultaat al zeer overtuigend.De donkere plekken op Capri’s lichaam zijn duidelijk voelbaar warmer dan de witte.
Plotseling gaat me een licht op. Dus daarom kan het zo bloedheet zijn op ons eigen weggetje. Aan beide zijden wordt het begrensd door witgekalkte muren, die het zonlicht reflecteren naar het wegdek. Het asfalt absorbeert de warmtestraling, zodat er, ongeveer om twee uur ‘s middags, glimmende zwarte plekken op ontstaan.
Ik wil nu eens proberen of ik op het asfalt een spiegelei kan bakken. Na eerst het belang van de proef uit de doeken te hebben gedaan, bedel ik bij de tantes om een eitje. De reacties variëren van ‘ Je bent niet goed snik ‘ tot zwijgend tikken met de wijsvinger op het voorhoofd. Helaas kan het natuurwetenschappelijk experiment daarom geen doorgang vinden.
Er bestaat echter nog een andere natuurwet waarmee ik kennismaak: zonder voldoende eten gaat een mens dood. Vroeger waren ze er ook al, de bedelaars. Ze behoorden tot degenen, die weigerden zich te vestigen in zogenaamde bedelaarskolonies, waar men hun voeding en onderdak verschafte en een handwerk leerde. Hoewel armelijk gekleed, zagen ze er redelijk goed gevoed uit. Door een aalmoes te geven, verschafte je jezelf het gevoel een goede daad te hebben verricht. Het waren er niet veel; je kende ze allemaal. Zo was er bijvoorbeeld de man, gekleed in een gerafeld soldatenuniform. Met een ijzeren staaf aan zijn koppel en zware metalen buis over de schouder marcheerde hij even krijgshaftig als doelloos door de stad.
Het is nu 1945. Voor de export naar hun eigen land en naar het oorlogsfront hebben de Japanners grote hoeveelheden rijst opgekocht tegen een symbolische prijs. Het aantal hongerige daklozen neemt daardoor toe. De toename gaat heel geleidelijk, als om de welgestelden tijd te gunnen eelt op hun ziel te laten groeien. Déze bedelaars hebben niets en krijgen niets. Hun schaamte bedekken ze met een gescheurde jutezak of een gevlochten mat vol gaten. Het lijf is heel mager, de benen wanstaltig opgezet: hongeroedeem. Ik zie hoe ze graaien in vuilnisbakken en verzuurde voedselresten likken van pisangbladeren, die als verpakking hebben dienst gedaan. Kan ik ze wat geven? Zakcenten behoren voor mij tot de vooroorlogse herinneringen. Toch zit er geld in mijn portemonaie; ik moet het zorgvuldig bij me houden. ‘For just in case…’, heeft Mams gezegd, waarmee ze waarschijnlijk een razzia bedoelde.
Op een keer vroeg in de ochtend, zie ik een handkar, getrokken door twee mannen. Ze stoppen bij iets; het lijkt een hoop vuilnis. Wat eens een mens is geweest, wordt in de kar gekwakt als een stinkende baal vodden.
Het gebeurt op een van die gloeiend hete middagen. Ze beweegt zich moeizaam waggelend voort, onder de linkerarm een opgerolde mat en in de hand een bundeltje. Soms houdt ze even stil, grijpt zich vast aan een tuinhek en verbijt de pijn. Dan slaat ze de stille “ eigen weg “ in, die naar ons huis leidt. Het matje spreidt ze uit op het asfalt en gaat er op liggen. Hier meent ze de privacy gevonden te hebben om haar kind ter wereld te brengen.
Dat is een misrekening. Op enige afstand heeft een groepje in lompen gehulde mannen haar gevolgd. Bij de “eigen weg" gekomen, staan ze stil en loeren om de hoek, wachtend op het kritieke ogenblik waarop ieder vrouwtjesdier volkomen weerloos is.
Dan, als op commando gaat de meute tot de aanval over. Meedogenloos rukken de belagers haar de kleren van het lijf, pakken haar bundeltje af, trekken het matje onder haar weg en maken zich ermee uit de voeten. Daar ligt ze, in barensweeën, geheel naakt op het smeltend asfalt.
“ Tulong, tulong ( Help, help ) ! “ Haar hulpgeroep, onderbroken door snerpende kreten van pijn, hebben op de Familie, die juist een dutje doet, het effect van een aardbeving. Uit alle slaapkamers komen in haastig aangeschoten housecoats en kimono’s de tantes tevoorschijn en snellen op het geschreeuw af.
Zonder er bij stil te staan, zet Mams de C en C ( Connecties en Corruptie )-machine in werking. Uit de tijd dat ze als hulpverpleegster werkte, kent ze een paar Indonesische artsen van het Petronella –ziekenhuis. In een stad waar mensen op straat sterven van de honger, komt toch nog een ziekenauto de bedelares en haar kind ophalen.
Een week of twee later worden we bezocht door een verpleegster.
Ze is vergezeld van de bedelares, een erg knappe vrouw, met haar wolk van een baby.
“ De vader van het kind moet voor hen zorgen. Wie is de vader ? “ vraagt een van de tantes verontwaardigd
“ Tida tau ( Ik weet het niet )”, antwoordt de bedelares.
“ Kunt U haar niet als bediende aannemen? Ze is heus betrouwbaar en bereid hard te werken “, pleit de zuster.
Dat kan echt niet. Van de twintig personeelsleden uit de gezamenlijke huishoudens zijn er slechts twee overgebleven. Beiden hebben meer dan vijfentwintig jaar de Familie trouw gediend. Trouwens, we zouden moeder en kind toch niet lang hebben kunnen helpen. Zo zal blijken.
Uit: Louis Doppert, De Eerste Generatie, Uitgeverij Lunet, Naarden, 1990
Naschrift:
Het gebeurde niet lang na het hierboven beschreven voorval, dat de atoombommen vielen op Hiroshima en Nagasaki. De Tweede Wereldoorlog werd hiermee beeindigd. De revolutie, de Indonesische Vrijheidsstrijd, kon beginnen. Vrijwel alle burgers van Nederelandse afkomst verdwenen in interneringskampen van de Indonesische Republiek. De mannen en jongens boven de vijftien jaar werden gescheiden van de vrouwen en kinderen. ( We hadden dus echt niet veel voor de bedelares kunnen doen. ) Na ca. anderhalf jaar werden deze gevangenen afgevoerd naar door Nederland bezet gebied. Tel bij deze anderhalf jaar nog drie en een half jaar Japanse bezetting op en men komt tot de slotsom, dat al deze kinderen bij elkaar vijf jaar geen onderwijs hadden genoten.
|