31(0) 647412213
Monique Doppert
ouis Doppert
   

De Uitverkorene


Wanneer hij zijn vorst tot een tiental meters is genaderd, gaat de hoveling eerbiedig op zijn hurken zitten. Dan, waggelend in hurkhouding, kruipt hij naderbij. Hij legt de handpalmen tegen elkaar en brengt ze voor zijn gezicht. De sembah, waarmee hij zijn gebieder niet alleen begroet, maar ook om toestemming vraagt het woord te voeren.
“Sinuhun ( Majesteit ), Tuan Vreede Wilhelm Doppert (5B1) is zojuist gekomen en verzoekt tot U toegelaten te worden.”
“Wat, waarom is hij gekomen? Ik heb hem toch niet gevraagd om te komen?” reageert de Sunan (keizer).
De reactie van de Sunan lijkt onvriendelijk, maar Vreede Wilhelm Doppert wordt wel vaker op het paleis uitgenodigd. Hij heeft de gave door handoplegging pijnen te verlichten. Onder zijn cliënten bevinden zich veel prinsen. Hij kent de gebruiken aan het hof. Johan Wilhelm Doppert (5B) heeft daarom déze zoon naar de Sunan gestuurd om hem in kennis te stellen van het overlijden van zijn vrouw Josephina Pieternella.
Vreede Wilhelm maakt een lichte buiging voor de Sunan. Een Europeaan maakt geen sembah. Dan vertelt hij, dat zijn moeder na een langdurig ziekbed is overleden.
De Sunan betuigt vormelijk zijn deelneming. Hoewel het aan zijn houding nauwelijks merkbaar is, deelt hij oprecht in het verdriet van Johan Wilhelm en zijn familie. Doppert is altijd stipt zijn financiële verplichtingen nagekomen. En dat niet alleen.
Hoewel hij zeker niet tot de rijkste landhuurders behoort, kan de Sunan altijd wat van hem lenen als hij even in geldnood zit.

Uit de groep jonge vrouwen, ongeveer twintig in getal, klinkt geen gelach noch gezellig gekeuvel. Daar is allerminst aanleiding toe. Er is hun niets medegedeeld, maar geruchten doen razendsnel de ronde in de kraton
(Ommuurd deel van de stad waarbinnen zich het paleis van de Sunan bevindt. Hier wonen de leden van de vorstelijke familie en de hovelingen). Zij weten dus waarom zij door hun keizerlijke oom ten paleize zijn ontboden. Zij dragen voor de ontmoeting met de vorst de officiële hofkleding. Een fraai gebatikte kain panjang. Dat is een wikkeldoek, die reikt van de enkels tot even onder de oksels. De schouders blijven onbedekt. De kains zijn gebatikt met de zogenaamde “verboden” motieven, zoals bijvoorbeeld de lar (vleugel) en de udan liris (motregen). Het is voor het gewone volk verboden deze motieven op hun kleding te dragen.
Geluidloos betreden zij op blote voeten de Pendopo Ageng Sasono Sewoko ( troonzaal ). Dan gaan ze met gevouwen benen zitten op het koele marmer. Steunend op één arm wachten zij op hun oom. Ze hebben plaats genomen volgens rangorde en afstammingsgraad. Vooraan de de nakomelingen van een vorst en een Ratu ( koningin ) en op de achterste rij de verre nazaten uit de relatie van een vorst en een selir ( bijvrouw ).Als de Sunan eindelijk verschijnt strekken ze hun rug en maken een sembah.
De Sunan heeft zich gekleed in een zwarte kuitbroek; om zijn middel is een bruine kaïn gedrapeerd met het parang rusak (beschadigd hakmes) motief. Een kort zwart jasje en een zwarte kuluk (fez) voltooien het geheel. Hij neemt plaats op de Dampar Kencono (Gouden Troon). De zetel heeft geen rugleuning. Feitelijk is de troon een bankje met twee armsteunen. Hij is bekleed met rood fluweel en afgezet met goudkleurige franje. De vorst zit kaarsrecht, de handen op de knieën van de iets gespreide benen. Kritisch monstert hij de jonge vrouwen, nauwe en verre verwanten van hem. Zijn blik valt op een meisje, dat wat groter en opvallend lichter van kleur is dan de anderen. Hij knikt haar toe.
De jonge vrouw, ze moet nauwelijks achttien jaar zijn, staat op en nadert hem tot op twee meter afstand. Op de knieën en zittend op haar hielen brengt ze de sembah. De sembah maakt zij elke keer voordat zij begint te spreken, ook als zij gewoon antwoord geeft op een vraag.
“Hoe heet je?”
“Sinuhun, mijn naam is Radèn (jonkvrouw) Mirah Hingsih.”
De Sunan kijkt haar peinzend aan, “Zij is mogelijk de nazaat van een Chinese selir. Vandaar die lichte kleur. Verre verwant. Geen hoge adel. Daar letten Europeanen niet zo op. Ze ziet er knap en lief uit. Dat is voor hen veel belangrijker.”
“Je weet, dat Nyonya Doppert is overleden. Tuan Doppert is een welgesteld man en een trouwe vriend van ons Vorstenhuis. Het is mijn wens, dat jij zijn vrouw wordt.”
“Ja Sinuhun, als U het gebiedt. Maar, maar ……”
“Heb je nog wat te vragen?”
Tevoren heeft Mirah thuis de nodige instructies van haar moeder ontvangen voor het geval de Sunan haar zal uitkiezen. “Niet bang zijn. Zeg het hem. Wij zijn van verarmde adel en hebben niet veel te verliezen.”
“Sinuhun, vergeef mij mijn vrijmoedigheid. Ik ben dankbaar, dat U mij hebt uitverkoren.Maar Tuan Doppert is al tamelijk oud. Wat moet er van mij worden als hij komt te overlijden?”
Na enig nadenken laat de Sunan zich van een goede kant zien, “Ik zal je een lap grond geven. Wat er ook gebeurt, je zult altijd iets hebben om van te leven.”
“Sinuhun, ik dank U voor zoveel goedheid.”

Korte tijd na de rouwperiode neemt Mirah haar intrek in het statige verdiepingshuis van Johan Wilhelm Doppert. Het huis in de stad ligt aan de Kali (rivier) Pépé. Hoe groot en fraai ook, het huis heeft één ongemak : Als de rivier buiten zijn oevers treedt loopt de benedenverdieping onder water.
De relatie heeft echter van meet af aan een probleem. Om de Inlander economisch te beschermen is in 1870 een wet uitgevaardigd volgens welke Nederlanders geen grond mogen bezitten. De consequentie is, dat Mirah haar grond verliest als ze wettig met Johan Wilhelm zou trouwen. Volgens de wet wordt ze dan Nederlandse en verliest het recht op grondbezit. Johan Wilhelm besluit daarom niet te trouwen, maar wel alle kinderen uit de relatie te erkennen. De kinderen dragen dan zijn naam en worden Nederlander volgens de wet.
Mirah krijgt dus niet de wettige positie van echtgenote. Anderzijds mag zij de titel van Radèn blijven dragen, omdat zij geen Nederlandse is geworden. Van Johan Wilhelm krijgt zij de juwelen, die bij haar status passen.

Doppert neemt Mirah en hun twee dochters, Albertine Mathilde (5B4) en Emilia Ferdinanda (5B5) mee, als hij voor zaken naar de grote stad Semarang moet.
[Emilia Ferdinanda, tante Melie voor haar vele neefjes en nichtjes, vertelde graag over ‘toen vroeger’:
Ik had in de hitte van de middag de hele tijd geslapen en werd pas wakker toen de koets stilstond bij een desa (dorp). Het was laat in de middag.
Er werden verse paarden ingespannen. We kregen pakjes rijst met toespijzen uit de warung (klein restaurant) bij de wisselplaats. De drie ruiters, die ons hadden begeleid namen afscheid. Zij werden vervangen door een escorte van zes man. We waren nauwelijks klaar met eten en drinken of we vertrokken al. Niet lang daarna werd er weer gestopt. Het begon al te schemeren en ik zag nog juist het rode tipje van de de zon verdwijnen achter de Gunung (berg)Ungaran. Er schitterden een paar vroege sterren aan de hemel. Het escorte gewapende ruiters ontstak toen zijn fakkels. Het was zo een mooi gezicht al die dansende flambouwen. Ik heb daarna niet meer geslapen.]

Maar ook de zon van de welstand gaat onder. Een grote catastrofe heeft meestal meer dan één enkele oorzaak: De hoge uitvoerbelastingen op de producten van de plantages zijn nadelig voor de concurrentie positie op de wereldmarkt en laten weinig ruimte voor het aanleggen van financiële reserves. Doppert heeft bovendien garant gestaan voor enkele van zijn collega landhuurders. Ziekte van enkele gewassen gepaard aan de economische malaise van 1890 zijn te veel voor de wankele positie van vele ondernemingen. Het merendeel van de plantage eigenaren gaat failliet. Ook Doppert kan niet meer aan al zijn verplichtingen voldoen.
Mirahs oudste zoon Johan August (5B6) wordt in figuurlijke zin op een balé-balé (bambu bed) geboren, dat wil zeggen in grote armoede.
Alles van waarde wordt verkocht. Door de juwelen van Mirah en ook die van de kinderen te verkopen kunnen de koetsen en de paarden worden behouden.
Doppert begint een verhuurbedrijf van rijtuigen. Onder zijn klanten bevinden zich veel hovelingen, die eveneens door de malaise zijn getroffen en nu geen eigen koets meer kunnen onderhouden.
Gelukkig zijn er nog inkomsten uit Mirahs bescheiden grondbezit. Zij gaat bovendien een handel beginnen in kains. De doeken zijn binnen de kratonmuren gebatikt door haar nichten en vriendinnen. De klanten scheppen er genoegen in te vertellen , dat zij een kain dragen, die gebatikt is door een adellijke dame. Hiervoor betalen ze graag wat meer.
De heer Doppert bereikt de leeftijd van één en negentig jaar. Desondanks is Mirah pas vijftig, als hij overlijdt.
Langzamerhand kruipt de familie uit het financiële dal.
Ze krijgt van haar volwassen kinderen weer de juwelen die bij haar status passen: kabayaspelden, die met een kettinkje met elkaar verbonden zijn, oorknoppen en haarspelden voor de kondé (haarwrong). Alles van goud bezet met edelsteentjes.

[Op het immense plein, de aloon-aloon, voor het paleis van de Sunan wordt'eens per jaar een Sekatèn georganiseerd. Een Sekatèn was een soort uitgebreide kermis met niet alleen de obligate attracties zoals botsauto’s en verschillende typen draaimolens. Er waren ook talloze restaurantjes uit gevlochten bambu opgetrokken. Ze verkochten tongstrelende specialiteiten uit de verschillende regio’s van de archipel. Het Nederlands-Indische Gouvernement was vertegenwoordigd met een paar grote tenten, waarin voorlichting werd gegeven op het gebied van landbouw, gezondheidszorg, cultuur enz.
Vooral ‘s avonds was het erg druk met bezoekers uit het hele gewest. De uitbundige verlichting was echter niet in staat om de duisternis van een tropische avond te verdrijven. Vanzelfsprekend waren de zakkenrollers ruim vertegenwoordigd.
Het was in 1935, dat Mirah inwoonde bij haar zoon Johan August (5B6/0) en zijn vrouw Mathilde Frederika (5C2G/O). Tegen alle adviezen in stond Mirah erop voornaam en feestelijk gekleed de Sekatèn te bezoeken. Dat betekende, dat ze onder andere haar gouden haarwrongspeld bezet met diamanten zou dragen. Ze vertelde, dat ze er een afspraak had. Haar zoon en schoondochter besloten toen, dat de huisjongen en de kokkin haar als ‘body guards’ moesten begeleiden.
Op de afgesproken plek bij één van de paleispoorten stonden al een paar Javaanse dames op haar te wachten. Ze waren gestoken in fraaie traditionele kleding; kain en kebaya( jasje ). De juwelen, die ze droegen vormden een uitdaging voor de criminelen om een grote slag te slaan. Ter voorkoming van zulke onaangename voorvallen hadden de dames zich echter verzekerd van een professionele bewaking van piekeniers. Ze droegen het rode uniform van de paleiswacht.
De huisjongen en de kokkin hadden hun taak volbracht. Na ontvangst van een ruime fooi konden ook zij zich vermaken op de Sekatèn.]

Mirah behandelt haar volwassen kinderen op een bepaalde manier met veel
eerbied en respect. En dat doet ze eigenlijk tegen hun zin. Ze voelen er zich ongemakkelijk bij. Mirah echter volhardt in deze gewoonte. Haar kinderen hebben een scheutje Europees bloed in zich en dan staan ze immers hoger dan de Javaanse adel.

En vervolgens leeft men nog lang en gelukkig in goede gezondheid.

Maar een fragment familiegeschiedenis is geen sprookje en heeft een ander vervolg :
De oorlog met Japan breekt uit. Nederlands-Indië raakt direct betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Kort na de vrede overlijdt Mirah. De oorlog wordt ‘vervangen’ door de revolutie; de Indonesische strijd tegen het Nederlandse koloniale systeem.
Net als de ca. driehonderduizend mensen van Europese afkomst zijn ook de nakomelingen van Mirah genoodzaakt naar Nederland te migreren om daar een nieuw bestaan op te bouwen.
Men begint er op de nul lijn of zelfs daaronder. Indische diploma’s worden niet erkend en de kinderen hebben een schoolachterstand, die in menig geval oploopt tot vijf jaar.
Maar hoe komt het toch, dat deze Nederlanders uit Indië de meest succesvolle migranten zijn geworden ?

Literatuur:
Houben, V.J.H., Kraton and Kumpenie. Surakarta and Yogyakarta, 1830-1870, Leiden, 1994.
Maanen, F.M.J. van, Het ontstaan van de kraton Surakarta Hadiningrat, s Gravenhage, 1989.
Bruggen, M.P. van, R.S.Wassing, Djokja en Solo, Beeld van de Vorstenlanden, Purmerend, 1998.
Veldhuisen-Djajasoebrata, Alit, Bloemen van het Heelal. De kleurrijke wereld van de textiel op Java, Amsterdam/Rotterdam 1984.

N.B. De tussen haakjes geplaatste notaties verwijzen naar plaatsen in de Stamboom.



> Terug naar overzicht Louis Doppert