| |
Kebon
Mijn buurmeisje in Solo, dat twintig jaar later mijn echtgenote zou worden, woonde in een huis met een enorm groot erf (zie verhaal ‘Putri Solo’, hierboven). Het was een ideaal speelterrein voor krijgertje, verstoppertje, diefje met verlos en andere opwindende spelletjes.
Mijn vrouw was het jongste kind van de familie en wellicht daardoor had ze een ruime plaats veroverd in het hart van de oude kebon (tuinman). Het gebeurde menigmaal, dat ze tijdens een wild spelletje struikelde en een wond aan haar knie opliep. De kebon kwam dan uit het niets toesnellen om zijn oogappel overeind te helpen. Heel zorgzaam smeerde hij de wond met zijn speeksel in ter bevordering van het genezingsproces. Zij was de enige van de kinderen, die het voorrecht had deze behandeling te mogen ondergaan. Dit tot grote woede van haar vader , die het de kebon verbood deze geneeswijze op zijn dochter toe te passen.
Daarvan begreep de kebon niets. Alle wonden genazen zonder een litteken achter te laten. Dat was toch prima! Ondanks het verbod bleef de kebon zijn visie op de medische wetenschap in praktijk brengen. Dat gebeurde natuurlijk stiekem.
Vanwege een onbegrijpelijke verordening tijden de Japanse bezetting moest de inmiddels stokoude kebon terug naar de desa in de buurt van Cheribon , waar hij oorspronkelijk vandaan kwam.
Enkele maanden later ging langzaam het tuinhek open en daar wandelde, of beter gezegd wankelde, de kebon het erf op. Dit leidde bij de familie tot verbazing, blijdschap en grote consternatie.
‘ Kebon is terug, kebon is terug,’ werd er geroepen.
De oude getrouwe had de afstand Cheribon-Solo, een tweehonderd kilometer, te voet afgelegd.
Gauw bracht men hem een glas thee.
‘Wat wil je eten kebon?’
‘Mag ik een gekookt ei, als u dat hebt?’
De kebon liep naar de waterput, ging op de grond zitten met zijn rug tegen het koele muurtje rond de put.
Met smaak nuttigde hij het eitje. Dat was de laatste handeling die hij verrichtte. Daarna ging hij liggen en sloot voorgoed de ogen. |